Ik vond Madelief waanzinnig aantrekkelijk. Niet eens omdat ze superdik, golvend rood haar had - de kleur van Jack Daniels had het - een porseleinen neusje en een krul in haar ene mondhoek; ook niet omdat ze slanke benen had en een ranke hals; maar omdat ze zo licht was, licht van lijf en licht van gemoed. Helemáál leuk was de manier waarop ze zich bewoog. Ze liep niet, ze danste. Ze hield haar hoofd scheef als ze naar me luisterde en dan glimlachte ze. Altijd, alsof alles wat ik zei haar blij maakte, alsof alleen al het feit dat ik tegen haar praatte haar verheugde. En als zij iets vertelde, beschreef ze met haar handen sierlijke figuren in de lucht die maakten dat haar woorden een extra betekenis leken te krijgen. Madelief geloofde dat de dingen een geheim hadden. Zo zei ze dat. Dat vond ik enorm charmant in het begin, ook al snapte ik niet wat ze er precies mee bedoelde. Dat gaf niet, het vertederde me en dat was genoeg.
Toen ik haar leerde kennen, woonde ze in een oud huisje aan de rand van de stad. Het huisje had ze van haar moeder geërfd. Het stelde niet veel voor, het was gammel en de inrichting was ouderwets, maar het had wel een grote, door Madelief prachtig onderhouden tuin. Ze kweekte er kruiden, bovengronds vruchtdragende groenten - aardappelen uit de klei trekken was niet echt haar ding - en natuurlijk vele bloemen. Madelief hoefde niet te werken voor de kost. Haar moeder had haar wat geld nagelaten. En ze had niet veel nodig. Ze maakte haar kleren zelf of kocht ze tweedehands. Verre reizen maken deed ze niet, ze reed geen auto en elektronische gadgets maakten haar slechts aan het lachen. Naast tuinieren en naaien hield ze zich bezig met ’vinddingen‘: ze maakte objecten van dingen die ze gevonden had. Scherfjes, schroeven, bouten en moeren, een kapotte zonnebril, haarelastiekjes, een oorbel, een halve pen. Kortom alles wat men zoal op straat kan vinden. Daarmee bracht ze, zei ze, bijeen wat kwijt was geraakt, en maakte ze heel wat stuk was.
Ze leek weggelopen uit een sprookje. Ze stond zó ver van mijn wereld af. Ze had totaal geen ambitie, vond haar onbeduidende leventje he-le-maal prima. Het kon haar niets schelen dat ze weinig geld had, geen hippe of belangrijke vrienden, dat ze niets betekende in de wereld. Mijn designer-outfits, mijn cabrio: ze maakten geen indruk op haar. En dus wilde ik haar hebben, koste wat kost. Maandenlang heb ik haar het hof gemaakt, me in bochten gewrongen, mijn sarcasme over haar zweverige hobby’s en wereldvreemde levenswijze ingetoomd en uiteindelijk volledig weten te verbergen, het woord ’zweverig‘ - samen met ’vaag‘ ’onbenullig‘ en mijn favoriete uitdrukking 'voor niks gaat de zon op’ - uit mijn vocabulaire verbannen, tot ik haar ten slotte zover kreeg dat ze haar vochtige, tochtige huisje verliet en bij me introk in mijn mooie, gerieflijke loft vlak naast het Centraal Station. Ik legde een tuin voor haar aan op mijn dakterras, die minstens zo groot was als haar eigen lap grond. Ik huurde een ruimte in de buurt van ons huis, waar ze aan haar vinddingen kon werken.
Ik gaf haar, kortom, alles wat haar hartje begeerde.

Op een dag liepen we samen buiten, zij op slippers en in een verrukkelijk lichtgeel jurkje, we babbelden wat, ze liep zoals gewoonlijk met een half oog de grond af te speuren terwijl ze naar me luisterde, toen ze zich opeens voorover boog. Ze zei niets, niet eens een kreet van “hee, wat vind ik daar!” of iets in die trant, en daardoor, en door de manier waarop ze zich bukte, haar adem inhield - dat zag ik aan haar gespannen rug -, hoe ze snel en gericht met haar hand naar de grond reikte, wist ik dat ze iets heel bijzonders had gevonden.
Ondanks mezelf was ik toch benieuwd, en ik kon een ongelovig lachje niet onderdrukken toen ze opstond en tussen duim en wijsvinger een roze nepdiamant van glas, zo groot als een kersenbonbon, omhooghield.
“Kijk!” ademde ze.
Het ding was overduidelijk fake. En zelfs als dat niet overduidelijk was geweest: mensen vinden geen roze diamanten of andere edelstenen van welke kleur dan ook, met een waarde van pakweg tien miljoen euro, in een doodgewone groenstrook langs een drukke stadsstraat.
Ik dacht dus dat Madelief het ding prachtig vond omdat het zo schitterde in de zon, en dat ze al meteen voor zich zag hoe ze het zou gaan gebruiken in een van haar vinddingen, en dat ze daarom zo verrukt was. Maar toen zei ze: “Een echte diamant! Dit is... Joost! Ongelófelijk!” En ze sloeg haar armen om me heen, onstuimig lachend.
Ik wist echt niet wat ik moest zeggen. Ik vond haar naïviteit schattig, adorabel, innemend en wat al niet, maar je kunt het ook overdrijven. Dan verandert naïviteit in kindsheid. En daar word ik dus niet opgewonden van.
Ze hield het ding omhoog, zodat de zon erop kon schijnen. Het licht werd weerkaatst, viel erin, erdoorheen, brak; het roze glas glinsterde en fonkelde, het zonlicht spetterde alle kanten op in alle kleuren van de regenboog en maakte lichte bewegende vlekjes op Madeliefs wangen en op haar handen. Het licht leek uit de steen te stromen en over haar huid te druppelen als een waterval van kleur en schittering. Het deed pijn aan mijn ogen. Het was een goed gemaakte nepperd, dat moest ik toegeven.
Volgens mij kun je die bling blingzooi in elk tuincentrum kopen. Dat is wat ik dacht. En vervolgens hardop zei. Maar Madelief trok slechts geamuseerd haar wenkbrauwen op en woelde met een hand door mijn haar.
“Gekkie,” zei ze.
Ik hervatte de wandeling en Madelief liep met me mee, de nepdiamant in haar hand geklemd. De rest van de weg praatte ze honderduit over wat ze ermee zou gaan doen. Zou ze hem gewoon thuis in een mooi doosje bewaren, gevat in zachte watten? Nee, dat was zonde, dan kon niemand ervan genieten. Zou ze er een halsketting van laten maken? Ze hield de steen voor zich, precies op de plek waar blanke huid eindigde en gele jurk begon, die plek tussen haar borsten waar ik soms mijn vinger tussen legde, om hem langzaam en plagerig naar beneden te bewegen... Nee, - ze lachte toegeeflijk om zichzelf - véél te opzichtig, dat was toch niets voor haar. Ze kon hem ook in stukken laten hakken en er allemaal verschillende juwelen van laten maken... maar ook die gedachte verwierp ze.
“Niet kapot maken wat heel is,” zei ze ernstig.
Uiteindelijk kwam ze op het lumineuze idee om de ‘steen’ te laten taxeren; dan wisten we tenminste wat hij waard was.
“Misschien wel... misschien wel een miljoen!” riep ze uitgelaten. “Daar kunnen we minstens tien jaar van leven!”
Ze was zo opgewonden dat ze bijna huppelde. Ze had niet in de gaten dat ik mijn hand uit de hare had getrokken en dat ik steeds sneller was gaan lopen. Ze merkte niet eens dat ik geen antwoord meer gaf.
En toen we eenmaal thuis waren had ze nog niets in de gaten. Ze had inmiddels bedacht dat het kostbare kleinood goed moest worden verstopt, voor als er inbrekers zouden komen. Maar welk plekje was veilig genoeg? Niet de kluis, natuurlijk niet de kluis, wat denk jij nou. Véél te voor-de-hand-liggend. Madelief moest altijd dingen doen die níet voor-de-hand-liggend waren. Na lang nadenken en opties op- en verwerpen koos ze voor een potje groene zeep, zo’n klein wit emmertje. Ze gebruikte groene zeep om het huis mee schoon te maken, dat ruikt zo lekker en alles gaat er zo mooi van glanzen. Bovendien is het goed voor het milieu, dat vond zij belangrijk. Als ze ging soppen nam ze met haar vingers een klontje uit de pot, deed dat in een emmer warm water en klopte het op met een garde tot de zeep ging schuimen.
Het is trouwens waar dat het heerlijk ruikt, een ouderwetse, degelijke geur is het; een tijdje geleden zag ik dat witte, enigszins groezelige emmertje met het half-afgerubbelde Driehoek-etiket in het keukenkastje staan, en toen heb ik de deksel eraf gehaald en aan de inhoud geroken. Dat maakte bepaalde gevoelens bij me los. Anyway, in die glimmende bleekgroene smurrie duwde ze haar schat. Niemand zou hem daar vinden. En eventuele speurhonden konden hem niet ruiken. 

Mijn ergernis was tot grote hoogten gestegen, maar die nacht slaagde ze er toch weer in om me te doen smelten. Ik was boos naar bed gegaan en pretendeerde te slapen toen ze de slaapkamer in kwam, maar toen ze naast het bed stond in een rode babydoll met witte stipjes, die maar nét over haar billen kwam – ze had er niets onder aan natuurlijk – ging ik toch weer voor de bijl. Met haar soepele lijf in mijn armen vergaf ik haar, voor de zoveelste keer, haar grenzeloze onnozelheid. Ze was zo onschuldig... En ik dacht, voor ik in slaap viel, naast een rozewangige sluimerende Madelief, de onmiskenbare krul in haar mondhoek, dat die rare bevlieging wel weer over zou waaien.

De volgende dag was het zondag. Toen ik neuriënd de eetkeuken in stapte, zat zij al aan de bar met een geheimzinnig, blij gezicht aan haar geroosterde boterhammetje te knabbelen. Ik had haar die nacht alle hoeken van het bed laten zien; soms geeft wat agressie net dat extra beetje Schwung aan de sex.
“Goeiemorgen schatje...” zei ze teder, en ze sloeg haar armen om mijn hals toen ik haar een kus op haar wang gaf.
Glimlachend keek ik op haar neer en ik streelde met mijn duimen haar wenkbrauwen. Haar ogen glinsterden, haar mondhoek krulde nog meer dan anders, ze had een blos op haar wangen. Ik voelde hoe mijn glimlach breder werd, en ook hoe er iets begon te groeien – ik had meteen weer zin in haar.
“Zal ik vandaag al naar een juwelier gaan om hem te laten taxeren?” vroeg ze.
Toen ik geen antwoord gaf en de glimlach van mijn lippen verdween, keek ze me onderzoekend aan. Toen sperde ze haar ogen wijd open en riep uit: “Wat dom! Het is zondag vandaag. Dat moet dus nog even wachten.”
Ze trok me naar zich toe, ik voelde haar borsten door de dunne stof van het overhemd dat ik had aangeschoten. Ze streelde mijn rug en fluisterde in mijn oor: “ik heb best wel weer zin in je...”
Ik rukte me los en verdween naar de badkamer.

In de dagen en weken die volgden kwam de nepsteen niet meer ter sprake. Ik had het afgrijselijk druk op mijn werk en maakte lange dagen. Madelief kookte voor me en luisterde ‘s avonds naar mijn verhalen over collega’s, externe relaties, mijn lul van een manager en het nieuwe project dat ik van de grond probeerde te tillen. Ik was de ‘diamant’ en het gezeur erover al gauw vergeten en ik nam aan dat dat voor Madelief ook gold. Misschien was ze tot bezinning gekomen en anders was ze wel zo wijs om mij met rust te laten. Prima. Either way had ik er geen last meer van. Af en toe betrapte ik haar, zittend in de brede, lage vensterbank, dromerig naar buiten kijkend met een glimlach om haar lippen; of ze zat met opgetrokken knieën, haar armen om haar benen geslagen, in het niets te staren, een intens tevreden uitdrukking op haar gezicht. Ik vroeg me af of ze misschien zwanger was.

Toen verloor ik mijn baan. Een week kreeg ik, om alles af te ronden en mijn biezen te pakken. En dan had-ie me nog gematst, zei mijn chef. Mijn project was afgeketst, mijn lul van een manager maakte promotie, en een van mijn naaste collega’s, een ventje van nog geen dertig met veel meer praatjes dan brains, stond bij wijze van spreken al in gedachten mijn - zijn toekomstige - kantoor in te richten. Ik had blijkbaar ergens iets gemist. Het was moeilijk te bevatten. Niet, eigenlijk.

Aan iemand als Madelief heb je in zulke omstandigheden feitelijk zo goed als niets. Ze kent de waarde van geld niet. Noch het belang van het hebben van een geile baan in een top-organisatie waar iedereen een moord voor zou doen.
Ze vond het heel erg voor me, wilde elke avond mijn nek masseren en de lekkerste dingetjes voor me koken, klaargemaakt met verse groenten en kruiden die ze kweekte op mijn dakterras; ze was bereid vanaf dat moment geen cént meer uit te geven behalve aan dingen die ík belangrijk vond; maar ze zei vreselijke dingen als dat ik nu toch verlost was van die manager, dat ik meer tijd zou krijgen om aan mijn gedroomde boek te werken, en dat ze best huur kon gaan vragen voor haar bouwval van een huisje, waar ze vage vrienden in huisvestte die geen cent te makke hadden. Dat laatste was een groot offer, ik wist het, want ze was best principieel in die dingen, maar ze kon er mijn ellende niet mee verzachten. Ik zat diep, diep, diep in de shit. Mijn penthouse kostte een fortuin. Ik kon het met geen mogelijkheid aanhouden als ik niet heel snel een nieuwe baan vond.
Ik telde de dagen van mijn laatste week af. De naderende werkloosheid was als een ijzeren schroef die om mijn hals was gelegd en elke dag wat verder werd aangedraaid.

Vrijdag ontslagdag. Ik kom thuis, vroeg in de middag. Madelief staat middenin de kamer. Ze kijkt naar me, een gebroken man; ik heb mijn das losgeknoopt, mijn jasje uitgedaan. In mijn armen houd ik een doos met mijn bezittingen. Ze komt op me af. Neemt de doos van me over, zet hem op de grond. Richt zich weer op, slaat haar armen om me heen in een groot, alomvattend, troostend gebaar. Drukt me dicht tegen zich aan. Ik weet dat ik stink. Naar angstzweet, naar mislukkerszweet. Ik stink naar verliezer.
Madelief duwt haar buik tegen de mijne en ademt diep in; haar buik zwelt op en communiceert met de mijne, het is van een ontroerende intimiteit, dit simpele gebaar. Ik heb een gevoel alsof ik breek. Een zucht, lang en gelaten; de lucht ontsnapt uit mijn verkrampte borst, en ik adem in, diep, heel diep, en dan fluistert ze in mijn oor: “Ik heb de diamant laten taxeren. Hij is ongeveer vijfentwintig karaat en helemaal flawless en iets van vijfendertig miljoen euro waard. Je hoeft je geen zorgen te maken, lieve schat van me. Nergens over.”
En dan breek ik echt.
Ik stoot haar ruw van me af en doe een stap naar achteren. Ze staat daar met haar armen slap langs haar lichaam, een klein, verbaasd lachje op haar gezicht.
“Ben je blij?” vraagt ze ook nog.
Een moment lang kan ik alleen maar met mijn hoofd schudden, ik hef mijn handen in wanhoop, en dan begin ik te schreeuwen. Ik schreeuw niet vaak, ik ben een kalm persoon, kalm en vriendelijk, en even is het net of dat gebrul niet uit mijzelf komt, maar als het besef tot me doordringt dat ik dat wel degelijk ben, versterkt het brullen zichzelf; mijn stem klinkt hoe langer hoe harder, en onbeheerster, tot ik voel dat ik krijs op de toppen van mijn longen, en, ook vreemd, het is best lekker om te doen. Ik tier dat ik helemaal aan de grond zit, dat ik de gruwelijkste dag van mijn leven heb gehad, dat ik afscheid heb genomen van collega’s die me achter mijn rug uitlachen, dat ik mijn lease-auto godverdomme heb moeten inleveren, of ze wel snapt wat dat betekent? Dat ik met de fúcking bus terug naar huis moest! De vernedering. Met een enorme schop lanceer ik de doos die Madelief op de grond heeft gezet, hij sjeest over de gladde parketvloer en komt tegen de voet van de Rolf Benzlamp tot stilstand. De lamp wankelt even, maar herstelt zich en blijft staan. Ik vind het bijna jammer.
Ondertussen schreeuw ik lustig verder. Ik schreeuw dat ze op moet houden met die poppenkast, dat ze wakker moet worden, dat ik verdomme stéun wil van haar, dat ik dat best mag hebben ook, we leven toch zeker riant hier, van mijn salaris, niets ontbreekt het haar, mag ik nou ook eens een keertje gewoon wat steun krijgen als ik het zwaar heb?
Madelief is stil blijven staan, haar ogen groot in haar bleke gezicht, haar lippen strak en wit. Als ik eindelijk ophoud met krijsen zegt ze met zachte stem: “Maar liefje, het is echt waar, het is gewoon écht wáár..."
In haar hand ligt de steen, waar heeft ze die zo snel vandaan getoverd? Hij zat misschien in de zak van haar fluwelen broek... ze houdt de steen omhoog op haar vlakke hand, als een bewijsstuk, glimlacht alweer, liefdevol, vragend, en ik, ik slaak een oerbrul, duik naar voren om het ding uit haar hand te slaan, graai in het luchtledige – is ze opzij gestapt? en zie de vloer razendsnel op me afkomen, ik open mijn mond om te schreeuwen, van schrik ditmaal, zie nog net iets roze-doorzichtigs vliegen, er klettert iets tegen mijn tanden, en dan, op het moment dat mijn hoofd bijna de vloer raakt, perst er zich iets hards en hoekigs in mijn keel, ik kokhals, probeer iets te roepen maar het enige dat er uit mijn keel komt is een gorgelend gegrom, een helse pijn vlijmt door mijn strot, en opeens lijkt mijn hoofd zich te realiseren dat het keihard tegen een stalen tafelpoot is geramd en alles wordt donker.

Als ik bijkom lig ik nog steeds op de grond in mijn woonkamer. Ik probeer te slikken, omdat ik móet slikken, want er zit iets achter in mijn keel, voorbij mijn huig reeds, dat naar beneden wil, en dat godsgruwelijk veel pijn veroorzaakt. Ik kokhals, zonder effect, afgezien van een verheviging van de toch al ondraaglijke pijn in mijn strot. Mijn hoofd doet ook zeer, maar dat is niets vergeleken met de marteling die ik onderga als mijn slokdarm, die blijkbaar ook even buiten westen is geweest, begint met zijn samentrekkende en ontspannende beweging, ook wel peristaltiek genoemd, om zodoende het grote, hard-hoekige ding richting mijn maag te werken. De slokdarm kan niet anders: het is zijn natuurlijke reflex om dat wat in hem zit, naar het volgende compartiment te stuwen teneinde aldaar verder bewerkt te worden. Maar de gigantische indringer is de logische gang der zaken aan het tegenwerken, de spieren trekken zich samen tegen een granieten vuist die hen het werken onmogelijk tracht te maken en die het zachte slijmvlies openschraapt. Ik vraag me af of mijn slokdarm helemaal open zal worden gereten en of ik daar dood aan zal gaan. Verder en verder gaat het ding richting plexus solaris. Ik lig doodstil, als om mijn slokdarm niet te storen bij zijn gruwelijke werk, te ontzet om echt bang te zijn, de helse pijnen te incasseren. En dan opeens, na een laatste, beestachtige pijnscheut, is het voorbij. Het ding moet in mijn maag zijn beland. Ik rochel, spuug: bloed. Ik kokhals weer, en voel hoe mijn maaginhoud naar boven komt, en hoe het zuur in het opengereten slijmvlies van mijn spijsverteringskanaal brandt. Ik geef over, rood, bloederig braaksel. Tranen spuiten uit mijn ogen.
Ik laat me uitgeput op mijn rug vallen, opgelucht dat de kwelling voorbij is; mijn pijn is nog altijd hevig, maar stabiel.
Dan hoor ik uit de keuken Madeliefs stem, die op rustige toon om een ambulance vraagt. Ze geeft wat gegevens door, de toestand van de patiënt.
“Hij heeft zijn hoofd gestoten en ligt bewusteloos op de grond. Nee, ik heb geen bloed gezien, maar ik heb ook nog niet goed gekeken. Er is een lift, of anders een heleboel trappen... ja, sorry..”.
Raar, denk ik. Hoe lang lig ik hier al? Waar was zij al die tijd? Dan, een nieuwe golf brandend braaksel, ik heb de kracht niet meer om me op te richten en het loopt langs mijn wang naar beneden, mijn oor in. Dan: de hemel zij dank, ik raak weer buiten westen.

Ik werd wakker in het ziekenhuis. Madelief was er. Ze had mijn hand vast. Ik was te zwak om hem terug te trekken. Ik lag op de Medium Care, zei ze. Slangetje hier, slangetje daar. Ze vertelde dat ze een foto van me hadden gemaakt en hadden gezien dat de diamant in mijn maag zat. Een operatie was noodzakelijk. Die steen via de natuurlijke weg kwijtraken zou me een darmperforatie hebben opgeleverd en daar zit niemand op te wachten. Dit zijn trouwens de woorden van de zaalarts.
Ik zat onder de morfine toen ik bijkwam, want het was een zware operatie geweest. Ik had niet de indruk dat die morfine veel deed, ik verging van de pijn. Gelukkig viel ik gauw weer in slaap. Madelief heb ik weggestuurd zodra ik helder genoeg was om meer dan drie woorden in een logische volgorde achter elkaar te zetten. Ik heb haar te kennen gegeven dat ze haar rotzooi uit mijn huis moest verwijderen, inclusief het onkruid op mijn dakterras, en dat ze op moest hoepelen naar haar moeders krot. Ze huilde, maar ik was heel beslist: ik wilde haar nooit meer zien. Het was tenslotte allemaal haar schuld.
En het werd nog veel erger. Ik had haar eigenlijk moeten laten vervolgen voor poging tot doodslag. De operatie was niet helemaal goed gegaan, zo bleek. Met het dichtnaaien was er een zenuw geraakt en dit bezorgt mij tot op de dag van vandaag vreselijke pijnen aan mijn litteken. De ene dag is erger dan de andere. Soms lijkt het wel bijna weg. Maar dat maakt mij niet meer uit. Pijn went, zo blijkt. Je kunt er zelfs van gaan houden, heb ik gemerkt: als je verder niet veel meer hebt, kan pijn je metgezel worden. Ik ben er krom van getrokken, en op een of andere manier zijn er zenuwen in mijn ene been bekneld geraakt. Ik kan niet meer lopen zonder stok. Met mijn keel en mijn slokdarm is het ook niet meer goed gekomen. Mijn stem is ijl en bibberig en ik kan alleen vloeibaar voedsel verdragen.

Toen ik na weken ziekenhuis thuiskwam, waren haar spullen weg. Het dakterras had ze niet leeggehaald, zoals ik had bevolen. Het was een overwoekerde bende geworden. Op de mat lagen stapels rekeningen. Ik heb niet de moeite genomen die allemaal te openen. Ik wist toen al dat er voor mijn lichaam geen hoop meer was, ook al had ik nog verwijsbrieven meegekregen voor tweewekelijkse revalidatie, waaronder zwemtherapie, en hadden ze me verzekerd dat ik te allen tijde van harte welkom was op de pijnpoli. Ik ben daar nooit meer heen gegaan.
Het huis heb ik met verlies verkocht. Werken is uitgesloten; ik hoef geen moeite te doen om een keuringsarts daarvan te overtuigen. Als ze me zien krijg ik meteen een stempel “uitgerangeerd” in mijn dossier. Dus kan ik nu onbezorgd leven van mijn invalidenuitkering. Daarmee kan ik de huur betalen van mijn flatje in een duistere wederopbouwwijk, niet eens zo ver buiten het centrum van de stad. Elke week wordt er een pakketje met gezond en gemakkelijk te bereiden voedsel bij me afgeleverd, een interessant boek of artikel, een zelfgebreide trui of andere rotzooi; compleet met een handgeschreven briefje, vaak versierd met gedroogde bloemetjes. Een afzender ontbreekt, maar ik weet zo ook wel van wie het komt.

Een tijdje geleden kwam ik haar tegen. Ze liep op haar kenmerkende, dansende manier over straat, d'r haar opgestoken in een kunstige wrong. Het was een mooie herfstdag, het was eindelijk eens droog en ik was even een frisse neus gaan halen. Langzaam, steunend op mijn stok, bewoog ik me voort over het trottoir en er was geen ontkomen aan. Ik kon nu eenmaal niet eventjes snel de straat oversteken. Dus daar stond ze dan voor me. Ach, het moest er toch een keer van komen.
Ze moest een beetje bukken om me recht in de ogen te kunnen kijken. De hare vulden zich met tranen.
“Hoe gaat het met je?” vroeg ze.
Ik liet een korte, gorgelende lach horen.
“Wat denk je zelf?” zei ik.
Ik merkte dat ze schrok van mijn stem. Ze hield vroeger erg van mijn stem, die diep was en welluidend, en waarmee ik teder kon fluisteren, boeiend kon vertellen en zelfs niet onverdienstelijk zingen. Ze haalde diep adem.
“Ik woon nog steeds in mijn moeders huis. Ik heb het helemaal op laten knappen, het is prachtig geworden. En ik heb kippen in de tuin...”
Haar stem stierf weg. Ik zag - ik heb nog altijd kijk op dat soort dingen - dat ze een verschrikkelijk dure jas aan had: een echt couture-ding. Ik wees, zonder mijn stok los te laten, met mijn wijsvinger op de jas.
“Hoe kom je daaraan?”
Ze keek me vragend aan.
“Waar betaal je dat allemaal van?”
Het voordeel van een totaal verlies aan decorum is dat je dat soort ordinaire vragen kunt stellen. Nu was het haar beurt om ongelovig te kijken.
“Maar Joost, ik heb je toch verteld.... we hadden een diamant, hij was ruim vijfendertig miljoen euro waard... dat heb ik je toch keer op keer verteld!”
Ik schudde mijn hoofd.
“Ik heb hem naar een juwelier gebracht en die heeft voor me geregeld dat hij verkocht werd. Aan Graff. Die heeft hem uiteindelijk toch gekloofd. Dat enorme ding was niet goed op de markt te brengen. Het is niet anders,” besloot ze enigszins spijtig.
Ik schraapte mijn keel om iets te zeggen, maar het praten kostte me zoveel moeite. Ik liet het er maar bij zitten.
“Kijk,” zei ze, en ze stak haar hand vooruit. “Ik heb van een van de stukken een ring laten maken. Als een aandenken, een soort kleine zusje van de grote. Herken je de steen niet?”
Aan haar vinger zat een witgouden ring met een bescheiden, briljant geslepen roze diamantje. De zon brak door. Het licht viel in de steen, weerkaatste in alle kleuren van de regenboog, stroomde over haar hand als een waterval van lichtdruppeltjes. Madelief bewoog haar hand en de schittering van de diamant spatte me in het gezicht, en vonkte, vonkte, tot de tranen uit mijn ogen stroomden.

Dit verhaal is eerder verschenen in de bundel 'Niets is wat het lijkt' van Uitgeverij Fenikso.