Ik moet een lezing houden. Ik kan er niet onderuit. Als ik tenminste mijn geloofwaardigheid, het respect van mijn collega’s en mijn baan wil behouden. Maar ik heb een ontzettende, verschrikkelijke, alles verlammende spreekangst.
Ik bel een vriend van een vriend, die mediatrainingen geeft. Mag ik bij hem langskomen om een instantcursus (therapie) te volgen? Het mag niet. Hij heeft geen tijd. Hij heeft wel enkele instant adviezen.
‘Blijf bij jezelf. Let op je ademhaling. Zet je knieën niet op slot. Geloof in je eigen kracht.’
Als ik begin te huilen begrijpt hij dat hij me iets meer handvatten moet aanreiken.
‘Stap één. Zorg dat je je verhaal goed kent. Leer het niet uit je hoofd, maar héb het in je hoofd. Stap twee. Schrijf de hoofdpunten van je betoog op losse kaartjes. Neem onder geen beding je uitgeschreven tekst mee. Daar moet je lós van komen. Stap drie. Visualiseer een rustpunt in je lijf, bijvoorbeeld rond je navel. Neem hier in je voorbereiding ruim de tijd voor. Als je onzeker wordt, concentreer je dan op je rustpunt.’ En, hij kan het toch niet laten: ‘Geloof in je kracht.’
Ik ga het redden. Ik zal wel moeten. Aan de slag dan maar. Stap één: ik schrijf mijn betoog uit. Het beslaat vijftien kantjes. Zou dat te veel zijn?
Mijn geliefde vindt het goed dat ik het aan hem voorlees. Als ik halverwege opkijk, zie ik hem glazig in de verte staren.
‘Is het niet interessant?’, vraag ik angstig.
Verstoord kijkt hij me aan. ‘Ik hoef toch niet de hele tijd naar jou te koekeloeren?’
‘Dat moet je wel!’, schreeuw ik, ‘als je me niet aankijkt word ik ontzettend onzeker!’
De rest van de middag oefen ik met mezelf. Na vijf keer ken ik het verhaal uit mijn hoofd. Ik schrijf de hoofdpunten op kaartjes. Voor de spiegel oefen ik op ongedwongen houdingen en een professionele gezichtsuitdrukking, de kaartjes achteloos in mijn hand. Ik bouw grapjes in en onverwachte one-liners. Ik begin er lol in te krijgen. Ik geloof in mezelf!
Om me nu goed los te maken van mijn uitgeschreven tekst, bedenk ik dat ik hem het beste kan verbranden. Dat lijkt mij een nuttig ritueel. Nadat ik mijn lezing in de as heb gelegd, moet ik nog één ding doen: mijn rustpunt visualiseren. Dat valt tegen. Ik kan alleen maar aan mijn navel denken. Flarden van mijn betoog zingen rond in mijn hoofd.
Misschien dat een glaasje wijn me helpt wat te ontspannen. Dat helpt inderdaad. Nog een glaasje wijn om het te vieren, en nog één. Ik kan nu maar beter naar bed gaan, dat is ook rustgevend. Dan kan ik me morgenochtend wel gaan concentreren op mijn rustpunt. Om optimaal van mijn slaap te kunnen profiteren, neem ik voor de zekerheid een slaappil. En een glaasje port. Een flink glas port. Meer niet, ik mag morgen geen kater hebben.
De volgende morgen bij het wakker worden duurt het even tot ik besef dat ik een knallende koppijn heb. En ik ben misselijk. Zou dat van de spanning komen? Na een uitgebreide douche ben ik daar niet zo zeker van. Eén ding weet ik wel: ik ben leeg. Ik weet niks meer. Ik pak de kaartjes met hoofdpunten erbij maar er wil zich in mijn hoofd geen verhaal meer vormen.
‘Lees je tekst dan nog één keer goed door,’ raadt mijn geliefde.
Dat gaat dus niet meer.
Mijn lief weet zich nog wel het een en ander te herinneren. Hij heeft mij tenslotte de hele dag bezig gezien. Op dringende toon herhaalt hij alles wat hij nog weet. Ondertussen hijs ik me, half huilend, in mijn zorgvuldig bij elkaar gezochte outfit.
Beetje bij beetje begint het weer te dagen. Ik ga het redden, ik ga het doen!
Onderweg naar het conferentie-oord praat mijn geliefde op me in. ‘Vertrouw op je kracht!’, roept hij wel tien keer, met lichte paniek in zijn stem.

Buiten het conferentie-oord staat een busje van de NOS. ‘Je komt op teevee!’, roept de gastvrouw, die me op staat te wachten, met een stralend gezicht.
In de zaal zitten ongeveer vijfhonderd man. Ik haal diep adem, denk aan mijn navel en met opgeheven hoofd wankel ik naar binnen.