‘Kijk, zo moet je zitten als ze een foto van je maken en je een pukkel wilt camoufleren,’ zei ik, terwijl de fotograaf rond de tafel sloop met zijn supersonische digitale camera, nadat die (camera) eerst door alle aanwezigen uitgebreid was bewonderd; hij ging van hand tot hand, die camera, en vooral de ouderen in het gezelschap raakten niet uitgelachen, uitgehoofdschud en uitge-nou-nou’d over wat zo’n klein apparaatje allemaal wel niet vermag. De eigenaar van de camera keek erbij van pomptidom en tralala, ik wist dat allemaal allang, sterker nog, ik bezit al dat moois, wat lopen die mensen achter, zeg.
Mijn opmerking bleef ook niet zonder gevolgen.
‘Heb je een pukkel?’ vroeg  mijn rechtbuurman.
‘Nee,’ zei ik.
‘Heb je een pukkel?’ vroeg mijn linkerbuurman, en bracht zijn gezicht heel dicht bij het mijne.
‘Nee,’ zei ik, en ik nam nog een slok rode wijn, hem daarbij met mijn elleboog in het gelaat prikkend.
‘Heb je een pukkel?’ gilde mijn overbuurvrouw blij, zich over de tafel buigend, haar boezem deponeerde ze naast de schaal met truffels.
‘Nee,’ zei ik, en ik beet in een afbladderend geitenkaasflapje. De schilfers bladerdeeg vlogen alle kanten op.
‘Heb je een pukkel?’ vroeg de buurvrouw van mijn overbuurvrouw bezorgd, en legde haar borsten naast die van haar buurvrouw. Een glas wijn viel om, en maakte een mooie, uitvloeiende rode vlek op het witte tafellaken.
‘Nee,’ zei ik.
Maar het gezelschap nam geen genoegen met mijn ontkenningen. Ik werd meegetroond naar de keuken, op een barkruk gezet en met een felle lamp, die uit de studeerkamer gehaald was, beschenen. Vele soorten adem: heet, warm, lauw, droog, vochtig, met vele soorten geuren: wijn, sigarettenrook, bloemkool, paddestoelen, zoet, zout, bitter, zuur, sloegen in mijn gezicht. De warme zoute was het lekkerst.
Iedereen leverde commentaar.
‘Ik zie daar wel iets…,’ zei de een.
‘Daar, wat is dat?’ Een vinger raakte mij zachtjes aan, net naast mijn neus.
‘Nee, dat is een moedervlek, dat is geen pukkel.’
‘Weet je het zeker? We kunnen even knijpen, kijken of er iets uit komt?’
‘Nee, ben je gek? Het is een moedervlek, en als je daaraan gaat zitten prutsen, krijgt ze melanoom.’
Dit bracht vele verhalen op gang, over aan kanker gestorven familieleden. Ik begon te zweten onder die felle lamp.
‘Ze glimt wel aardig, je zou zeggen dat ze genoeg talg heeft om een paar fikse pukkels te produceren.’
‘Ja, maar ik zie niks, verder. Hoewel, wat is dat, is dat geen meeëter? Zal ik die uitknijpen?’
Toen zei degene met het meeste gevoel voor humor: ‘Kijk, daar zit een pukkel, tussen haar ogen en haar mond. Een hele grote.’ Het hele kerstgezelschap moest lachen en besloot daarna de kerstboom af te tuigen en buiten in de fik te steken. Ik vroeg of ik van de barkruk af mocht, maar ik kreeg geen toestemming. Ze wilden mijn pukkel vinden. Ze hingen een zilveren kerstslinger om mijn hals, en aan elk oor een kerstbal.
Toen het kampvuur voorbij was kwamen ze allemaal weer binnen, geurend naar rookworst en bessenjenever.
Ik zat liedjes te zingen op mijn barkruk, en me voor te stellen dat de felle lamp een warme zon was.
Ik wilde een cuba-libre bestellen maar er werd niet echt geluisterd. Het gezelschap groepte weer om me heen, de stemming was aanmerkelijk minder vredig nu. Men drong op, men eiste een pukkel, men trok aan mijn oren om mijn gezicht nu eens de ene, dan weer de andere kant op te forceren. Eindelijk was er dan toch een gerstekorrel gevonden. Met grof geweld trachtte de sterkste van de club, een bodybuilder, hem uit te knijpen. Dat lukte niet. Dat kwam mij op een gedwongen stoombad te staan. Toen dat voorbij was, en ik weer op mijn barkruk zat, met een rood en glanzend gezicht en een natte pony, mocht iedereen om beurten proberen om mijn gerstekorrel uit te knijpen. Ik geloof niet dat het tot een bevredigend resultaat leidde, maar op een gegeven moment kwam er bloed uit en was de lol eraf en bovendien was het tijd voor het toetje.